Laengs Hollandschen cust

© René Maassen 2002 - 2005

www.renemaassen.nl

rene@renemaassen.nl

 

Op 14 februari 2002 willen wij van Satun-haven in Thailand met de boot van negen uur 's ochtends naar Langkawi, het eerste eilandje van Maleisië. Het is nu pas half negen en ik wissel mijn overgebleven 1.500 Baht om voor 128 Ringgit bij een langslopende geldwisseldame. Die koers klopt ongeveer met wat ik op Internet had uitgezocht. 1 Ringgit is 30 Eurocent. 3,3 Ringgit passen er in 1 Euro. Da's makkelijk rekenen.

Het is erg druk met wat duidelijk Thaise Chinezen zijn. Velen hebben nu een hele week vakantie, rondom hun nieuwjaar. Dat Chinees nieuwjaarfeest duurt dit jaar van 12 februari (maanloze nacht) tot en met 26 februari (volle maan). Dit is het Chinese jaar van het Paard, 1 van de 12 Chinese dierenriem tekens. Dit Chinese jaar 2002 heeft als jaarelement 'Water', één van de 5 Chinese elementen. Dit is dus het jaar van het 'Water Paard'. Het jaarelement heeft een grote invloed op ieder dierenriemteken, wat ook een onveranderlijk eigen element heeft. Voor het 'Paard' is dat overigens 'Vuur'. Een 'Vurig Water Paard' is een heel andere persoonlijkheid dan een 'Vurig Hout Paard', als voorbeeld. Water blust Vuur, maar Hout jaagt Vuur op. Iedere combinatie van jaarelement/dierenriemteken komt dus maar eens per 60 jaar voor (5 jaarelementen maal 12 dierenriemtekens). Zo zal 2014 een Hout Paard jaar zijn.

Alle Chinezen wensen elkaar nu "Maa dhao cheng kong": "Succes in het jaar van het Paard". Letterlijk zeggen zij:

Maa = Paard

dhao = komt aan

cheng = brengt mee

kong = geluk/succes.

Deze wens kan het hele paardenjaar 2002 uitgesproken worden (loopt t/m 31/01/2003).

Het is geen probleem om kaartjes voor de veerboot te kopen. Deze kosten 180 Baht p.p. (4,50 Euro). Door de drukte vertrekt de boot pas om 11:00 uur. Wij zitten prima op het bovendek van deze snelle boot. Alle Thaise Chinezen zitten binnen TV te kijken. Zodadelijk komen wij aan in Maleisië, het 7e land op deze reis. Wij willen gaan fietsen van noord naar zuid door het schiereiland Maleisië, tot aan de zuidkaap van zuidoost Azië: het sinds 1965 onafhankelijke Singapore. In het noorden grenst Maleisië volledig aan Thailand. Er bestaat ook nog een oostelijk Maleisië, Sabah en Sarawak. Dat is het noordelijke deel van het eiland Borneo. Het zuidelijk deel van Borneo heet Kalimantan en is van Indonesië. Maar dat bewaren wij voor een andere reis. Onderweg moeten wij een immigratiepapiertje voor Maleisië invullen. Daarop staat o.a. met duidelijke rode inkt gedrukt:

"Wees vooraf gewaarschuwd dat drugssmokkelaars in Maleisië verplicht de doodstraf [ophanging] krijgen".

Deze eerste papieren kennismaking met Maleisië bevalt mij wel. Die maatregel mag van mij in Europa ook ingevoerd worden. Wij komen aan in Kuah haven, in de zuidoosthoek van het eiland. De immigratieprocedure is simpel en snel: wij mogen zonder visum en zonder verdere vragen drie maanden in Maleisië blijven. Wat een verademing in visa-gek Azië! De klok gaat een uur vooruit. Het is razend druk, hoofdzakelijk met mensen van Chinese komaf. Langkawi is een belastingvrij eiland, waar veel koopgeile paardnieuwjaar Chinezen op af komen. Het zijn er heel wat met zijn allen. Ik koop gelijk een kaartje voor de overvaart naar Penang, het volgende Maleise eiland. Dat valt niet mee. Pas zondagmiddag om 17:30 zijn twee stoelen beschikbaar. Vandaag is het pas donderdag. Wij zitten dus 4 dagen vast op dit eiland Langkawi: wij konden er wel naar toe, maar niet vanaf. Het plan was om in Maleisië het reistempo op te voeren, maar dat begint dus slecht. Wij moeten er maar het beste van maken. Dan maar rustig een rondje fietsen op dit eiland. Misschien vinden wij een mooi strandje waar wij een dag kunnen blijven.

Eerst gaan wij in de hoofdstad Kuah geld opnemen en internetten. Op weg naar Kuah passeren wij een enorme arend gemaakt van beton. Maar deze vogel is heel mooi en realistisch gemaakt, met veel oog voor details. Hij staat op scherp om weg te vliegen. De vogel heeft een spanwijdte van misschien wel 20 meter! Erg mooi gemaakt. Langkawi is een Sanskriet woord, de oude taal van India. De Indiërs gaven dit eiland blijkbaar haar naam. Het is een samentrekking van 'arend' en 'bruinrode aarde'. Deze wittebuik visarend waakt over het eiland met zijn scherpe blik en krachtige klauwen. Het valt gelijk op dat Maleisië een welvarend en ontwikkeld land is. Deze eerste indruk op welvarend Langkawi is misschien niet representatief voor het hele land, maar Maleisië heeft hier in ieder geval een opmerkelijke 'mix'. De steden, infrastructuur en welvaart zijn duidelijk op westers niveau ingericht. Tegelijkertijd heeft het duidelijk Aziatische kenmerken als marktstalletjes, eethuisjes, specerijenwinkels, markten en gekleurde mensen waarvan de meesten geduldig en vreedzaam zijn. Ook is het uit de kleding duidelijk dat de meerderheid van de mensen hier Islamitisch is. Dit wordt ons eerste bezoek een welvarend Islamitisch land. Tot nu toe was Islam altijd synoniem aan een redelijk passieve economie. Dat was in landen als Turkije, Iran, Pakistan en zuid Thailand. Maar het kan dus ook anders! Er is duidelijk geen harde koppeling tussen een zwakke economie en Islam.

De fietsen rollen nu langs een druk strand wat Pantai Cenang heet. Het ligt in de zuidwest hoek van dit eiland Langkawi. Hier zouden alle budget accommodaties moeten zijn. Die zijn hier ook. Voor 30 Ringgit (9 Euro) heb je een hele simpele kamer met ventilator. Dat is fors duurder dan Thailand! Maar alles is vol. Ik vraag het bij een paar motels, maar alles is paardenvol met nieuwjaar vierende en winkelende Chinezen. Eigenlijk is dat niet zo erg. Eigenlijk is het zelfs goed nieuws. Wij zoeken gewoon een plek voor de tent, maar niet hier. Deze stranden die hun toeristenverzadiging al lang bereikt hebben spreken ons toch niet aan. Er zijn ook veel duidelijk dure resorts, maar die lijken minstens half leeg te staan. Die avond kamperen wij in de buurt van de luchthaven. Mooie plekjes hebben wij nog steeds niet gezien. De volgende ochtend fietsen wij maar weer heel relaxed verder. Het is nu vrijdag. In deze Maleise provincie hebben de mensen op donderdag en vrijdag hun weekeinde. Het zal dus extra druk zijn vandaag. Het is in ieder geval erg heet. Dit eiland heeft hoge helemaal met jungle begroeide bergen. Maar de hele kuststrip tot nu toe is een betonkust. Er staan opvallend veel half tot helemaal lege resorts en andere betonnen kolossen. Er worden nog meer betonkolossen bijgemaakt, maar er lijkt al zoveel capaciteit onbenut.

De weg is goed, en wij moeten er deze dagen maar het beste van maken. Langs de westkant van Langkawi passeren wij een winkeltje. Ik koop een ananas en bananen. De Moslim vrouw is heel vrolijk en spreekt redelijk goed Engels. Dat lijken veel Maleisiërs te doen. Ze spreekt frank en lachend.

"Ik heb 3 kinderen, van 11, 7 en 2 en ik ben al 17 jaar getrouwd".

"Drie kinderen vind ik wel genoeg", zegt ze lachend.

Zo kan het dus ook; natuurlijk zijn er ook Moslims die wel aan gezinsplanning doen. Wij bedanken en gaan weer verder. Het is rustig fietsen op deze rondweg, ondanks dat dit een druk weekend is. Wij draaien al weer en gaan nu langs de noordkust. Spoedig zien wij een trapje die naar het strand lijkt te gaan. Ik ga even kijken. Het grote strand is erg vol vandaag (vrijdag) met BBQ-ende Moslim gezinnen. Die zitten met het hele gezin op een grote deken op het strand of op het droge gras. Vader is doorgaans westers gekleed en bedient de BBQ. De moeder heeft soms een hoofddoekje op, maar meestal ook een keukengordijn om. De kleinste kinderen spelen in het zand of branding. Zodra de kinderen ook maak iets ouder zijn, zeg een jaar of 8, dan houden zij daarbij alle kleren aan. Maar vaak gaan zij dan ook niet meer het water in. In ieder geval hebben zij wel een dagje uit met zijn allen en lijken zich goed te amuseren. Ook is dit strand en het parkje erg vervuild. Waarschijnlijk trekken apen iedere avond de vuilnisbakken leeg. Ik zie nog een smal paadje, dat blijkt naar een veel kleiner naastgelegen baaitje te gaan. Daar is niemand, weinig afval en biedt een mooie tentplek. Ik ga terug naar Jolanda en wij besluiten daar vandaag en eventueel morgen te blijven op dat mooie plekje. Als wij de spullen over het smalle paadje gesleept hebben, gaan wij eerst lekker zwemmen, want het is nu hoog water. Voor het baaitje liggen allemaal grote rotsblokken in de zee. Het water is heerlijk. Als wij terug kijken naar het strandje, zien wij dat er links een nog kleiner en mooier baaitje ligt. Wij zwemmen er naar toe: het is perfect. Een uitstekende tentplek in de schaduw, er is niemand, er is bijna geen afval en het is een heel mooi strandje. Een groot blok teakhout kan uitstekend als sofa dienst doen. Er ligt ook een stuk palmboomstam, die prima als strandhoofdsteun kan fungeren. Wij zwemmen terug. Vervolgens verplaatsen, meer verslepen, wij de fietsen naar deze micro baai. Wat een mooi plekje! En dat op overontwikkeld Langkawi! Wij blijven in onze privé baai de rest van deze dag een ook de hele volgende dag (zaterdag). Langs de hoofdweg ligt een luxe koopgoot, waar ik water kan halen. Van de vriendelijke bewaker krijg ik een avocado als donatie. Bij een eettentje, een kilometer terug, koop ik wat extra eten, verder hebben wij nog wat in de fietstassen. Het zijn 2 heerlijke dagen: zonnen, zwemmen, schaken en uitslapen. Tijdens het eten halen, zie ik dat de apentroepen inderdaad de prullenbakken leegtrekken. Ik word zelfs aangevallen, omdat zij bang zijn dat ik ook wat wil hebben. Apen zijn een serieus probleem hier. Open prullenbakken helpen natuurlijk niet en lokken alleen maar apen aan. Jammer dat de autoriteiten dat onbelangrijk vinden.

Op zondagochtend breken wij het strandkamp af. Naar goed gebruik willen wij het plekje schoner achterlaten dan wij het gevonden hebben. Nu lag er niet zoveel vuil, maar bij elkaar toch best wel wat. Onze latrinekuil is nog lang niet vol. Ik maak een flink vuur in de kuil. Zodra het goed heet is en het een dikke roodgloeiende bodem heeft, verbranden wij vele plastic en papierwaren. Het strand is nu optisch in ieder geval helemaal schoon. Na het uitgloeien dempen wij de kuil. Wij fietsen rustig terug naar Kuah. Vanavond gaat de boot. Wij passeren aan de oostkust een mini-zoo. Wij vragen wat wij kunnen zien, maar de vrouw kan het niet goed uitleggen. Wij kopen maar een kaartje en gaan naar binnen. Wij hebben vrijwel direct spijt. Dit is een zeer trieste dierenmishandeling. Veel van de micro kooien staan leeg. In de andere kleine en kleinere kooien zitten een paar psychotische dieren eenzaam weg te kwijnen op een betonnen plaat in de volle zon. Geen soortgezelschap, geen eten, geen water, geen groen, geen schaduw. Een aap is druk bezig met automutilatie. Ik kan nog veel meer gruwelijke details vertellen, maar dat heeft niet veel nut. Als wij niet waren gegaan, had ik dit niet kunnen melden. Het beste wat ik kan doen, is er over berichten. "Ga nooit naar dit soort 'hobby' dierentuinen!" Maar veel grote dierentuinen over de hele wereld zijn niet veel beter. Deze beesten kunnen ook niet meer terug naar de natuur. Het beste kan niemand meer een kaartje kopen. De dierentuin kan de dieren dan niet meer voeden en ze gaan dan spoedig dood. Nieuwe 'dieren-ondernemers' worden zo ontmoedigt en deze beesten wordt nog vele jaren toekomstig lijden bespaart. Het is hel, door 'beschaafde' mensen gemaakt en bezocht (gefinancierd) door 'beschaafde' bezoekers.

Wat teneergeslagen rijden wij naar Kuah. Daar Internetten wij nog wat en gaan dan naar de boot. Het rondje Langkawi was 84 kilometer en bood een onverwacht mooi 'geheim' strandplekje op dit verder overontwikkelde betonnen eiland. Jammer van de wrede dierenhel aan het eind. De boot naar Georgetown op Penang vertrekt op tijd, om 17:30. Voor de fietsen moet ik 10 Ringgit (3 Euro) bijbetalen. De boot zit helemaal paardenvol met uitgewinkelde nieuwjaars Chinezen en hun enorme bergen bagage. Gelukkig zitten ze allemaal binnen. Wij zitten weer alleen op het bovendek. De zon begint onder te gaan, het is een mooie cruise. Wij praten nog wat na over de dierenhel en sluiten dan dat onderwerp. Op mijn GPS zie ik dat deze boot maar liefst 58 Kilometer per uur vaart! Toch is het stil en comfortabel, behalve de harde vaarwind. Wij gaan op de grond van het dek zitten en zitten goed. Om 19:45, vlak voor het donker, komen wij aan in Georgetown op het eilandje Penang. Het is overal razend druk. Wij fietsen voorzichtig, het is donker inmiddels, naar één van de eerste hotels die wij vinden. Dit is het Sky Hotel. De kamer is wel redelijk maar het lawaai van restaurant beneden en van de straat is enorm. Het is overal vol en druk: er kan geen paard meer tussen. Voor dit hotel hangen nu twee paardenlelijke travestiet prostituees. In Thailand hebben wij veel 'vrouwen' gezien die vroeger duidelijk man zijn geweest, maar die leken zich niet te prostitueren. Deze schatjes duidelijk wel. Eén heeft een zwarte avondjurk met diepe split en decolleté aan. Zelfs in het schemer valt 'zij' door de mand.

De volgende ochtend zijn wij alweer vroeg wakker. Wij hebben heel slecht geslapen. Dit bed is soort diepe kuil, dit betonnen gebouw blijft de hele nacht warm, het lawaai van de straat ging ook de hele nacht door en die paardenlul van het restaurant onder ons bleef de hele nacht hakken, roerbakken en frituren. Wij gaan een ander hotel zoeken. Wij bekijken er drie en stellen vast dat het 'Hang Chow Hotel' de beste keus is voor ons. Nu hebben wij een leuke kamer aan het eind van het gebouw. Deze kamer heeft zelfs wat sfeer met zijn houten vloer en jaren-50 stijl houten stoelen en bed. Het kost 24 Ringgit (7,20 Euro). Alles is oud maar alles werkt en het is schoon. Ook is deze kamer vrij koel en stil. Deze vriendelijke Chinese mensen van dit hotel zijn duidelijk met hun hotel bezig en hebben er een koffieshopje bij. Bij het Sky Hotel was dat andersom. Deze kamer heeft ook geen stopcontact voor onze waterkoker, maar wij mogen beneden zoveel gekookt water (kai soei in het Chinees) pakken als wij willen.

Wij gaan op pad door de stad. Georgetown is de enige stad op het eiland Penang. De oude stadskern is een stad met veel oude gebouwen in Engelse koloniale stijl uit begin van de 20e eeuw en nog wat oudere. De kleine huisjes en winkeltjes zijn duidelijk oud, maar niet vervallen. Het is precies goed zo; niet te kapot en niet te heel. Deze stad is hoofdzakelijk bevolkt door Chinezen. Dat is al meer dan 200 jaar, helemaal na de door de Engelsen verplichtte deportatie van alle Chinezen uit Melakka naar Georgetown. Er is ook een Little India buurt. Maleise Moslims zijn in Penang in de minderheid. Overal is weer veel activiteit gaande. Het is leuk door deze stad te lopen. Wij bekijken diverse Chinese gebouwen en markten. Wij kopen ook fruit, dat hier fors duurder is dan in Thailand. In het Chinese Internetshopje om de hoek breng ik een aantal uren door om mijn verhaal over Ko Tarutao in Thailand af te ronden. Er is één PC met een goede audiokwaliteit over de hoofdtelefoon dus ik luister heerlijk urenlang muziek via de Internetradio en druk ondertussen wat op de knopjes van de PC. Zo schrijf ik graag; de teksten rollen er vanzelf uit. De ruimte heeft Airco en de koele lucht circuleert goed rond.

In klein India bekijken wij de lokale tempel in zuidelijke Tamil Nadu stijl. Wat een mooie kunststijl hebben die Indiase tempels toch! Wij eten bij een Indiaas restaurant en eten onze vingers er weer bij op. Daarna lopen wij verder door de met Indiase mensen en winkels gevulde straten en kijken onze ogen weer uit, onze neus loopt van alle geurtjes en wij vibreren mee op de Bollywood muziek die overal klinkt. Wij merken dat wij alweer veel te lang niet in India zijn geweest. India is een land waar wij niet uitgekeken raken en Indiërs zijn geweldige mensen. Het is hoog tijd om weer naar India te gaan!

De volgende dag willen wij met bus 101 naar Penang Hill gaan, ruim 800 meter boven de stad. Wij wachten een uur op de bus. Er komen veel bussen voorbij, maar geen 101. Ik merk dat ik wat duizelig en heet ben. Wij besluiten terug te gaan naar de kamer en ik lig een tijdje op bed. Het gaat weer wat beter. Ik ga nog een uurtje muziek luisteren. Bij de PC shop hangt de eigenaar halfdood buiten op een stoel. Ik vraag wat er scheelt. Hij heeft de griep zegt hij zacht. Dat is het! In de heftige luchtcirculatie van dit shopje gisteren heeft ook iemand een griepvirus zitten uitademen. Waarschijnlijk het allerlaatste type, vers uit China meegenomen door een paardnieuwjaarstoerist. Alle griepvirussen worden geboren in China. Hopelijk is het niet de Hong Kong vogelgriep. Ik loop er nog goed bij, voor wat mij overkomen is, vind ik.

In Penang valt nog een ding op: er zijn veel zwarte Afrikaanse toeristen. Vrijwel nooit zien wij Afrikaanse toeristen, maar nu wel 100 per dag of zo. Waarom is dat? Ik wil het aan onze vriendelijke Chinese hotelbaas vragen want die spreekt uitstekend Engels. Maar ik besluit dat dit 'fout' is; ik moet het natuurlijk direct aan een Afrikaan vragen. In ons hotel zit er één die ons al een paar keer breed lachend gedag heeft gezegd. Het blijkt een Ghanees te zijn. Hij is vriendelijk, groot, zwart, rond en praat hard. Ook spreekt hij uitstekend Engels en vind het niet erg dat ik wat vragen stel. Hij biedt een biertje aan, maar ik bedank. Hij is handelsreiziger, zo blijkt. Hij koopt in Thailand namaak merkkleding en verkoopt die in Afrika. Vanuit Afrika neemt hij weer dingen mee, die hij hier verkoopt. Hij specificeert niet wat het voor dingen 'dingen' zijn en ik vraag er niet naar. Hij is hier in Penang, omdat de Thaise ambassade hier een visum voor 6 maanden afgeeft die elders in de wereld niet te krijgen zijn.

"Daarom zijn al die andere Afrikanen hier ook. Een paar jaar geleden was ik de enigste Afrikaan hier, maar nu is het een complete exodus", zegt hij.

Hij vertelt door, maar praat opeens met een licht geïrriteerde toon:

"Ik weet niet welke krantenartikelen je gelezen hebt, maar ik zal je zeggen dat er overal goede en slechte mensen zijn".

Ik zeg naar waarheid dat ik helemaal geen krantenartikelen hier over Afrikanen heb gelezen en dat ik dat laatste helemaal met hem eens ben.

"Sommige Afrikanen komen naar Maleisië en beloven rijke Maleisiërs gouden opbrengsten als ze wat handel voor hun mogen doen. Als deze Maleisiërs een vooruitbetaling hebben afgegeven verdwijnen deze slechte Afrikanen met het geld. Deze mensen doen een fuck up voor het Afrikanen imago. Ik ben niet zo", vertelt hij op normale toon.

Blijkbaar heeft er zoiets in de krant gestaan. Ik bedank hem voor de uitleg en vraag nogmaals of hij het niet erg vond.

"Nee natuurlijk niet", zegt hij nu weer breed lachend. Ik ben altijd welkom. De meeste Afrikanen hier in Georgetown zijn dus Thailand-handelsreizigers en er zitten goede en slechte mensen tussen.

Deze stad schijnt een serieus heroïne probleem te hebben, hoewel wij daar overdag niets van merken. Een opmerkelijk feit in doodstraf-voor-drugsmokkelaars Maleisië. Moslim Maleisiërs waarschuwen ons voor deze stad. Of dat op feiten gebaseerd is, of op vooroordelen tegen Chinezen en Indiërs weet ik niet. De stad heeft wel een wat ruig karakter met al deze gebeurtenissen, maar het tast onze veiligheidsbeleving niet aan.

Het regent deze nacht hevig, voor het eerst in lange tijd. Netzo als gisteren, slaap ik deze nacht weer slecht. Dat is ook een opmerkelijk feit voor slaapverslaafde René. Mijn temperatuursensor is behoorlijk ontregeld; ik heb het wat koeltjes maar zweet als een otter op mijn hoofd en in mijn nek, die ik bijna niet meer bewegen kan. De rest van mijn lijf zweet merkwaardig genoeg helemaal niet. De allernieuwste Chinese paardennekgriep? Wij blijven nog maar een dag. Onze reistempo-versnelling in Maleisië is toch al mislukt, dus deze ene dag kan er ook nog wel bij. Wij hebben gisteren een stuk bouwplastic gekocht, om onze niet-waterdichte Thaise low-tech tent tegen de regen te beschermen. Tussen 5 graden noorder- en zuiderbreedte kan het elke dag regenen en is er geen echt droog seizoen meer. Wij fietsen naar het park nabij het Britse Cornwall fort. In twee uur maken wij in goed teamwerk een buitentent. Het lijkt goed geslaagd en wij denken dat het wel zal werken. Onze low-tech camou-tent heeft nu een blauw zeil als een soort hoofddoekje. Na afloop van dit project lopen wij nog even door het fort. Het is door de Engelsen gebouwd. De muren rondom staan er nog, en een serie kanonnen staan bovenop die muur. Het grootse kanon staat op de hoek. Dit blijkt echter een VOC kanon te zijn. Dat kunnen wij zien aan het VOC-wapen op de loop. Toen de VOC echter in Maleisië opereerde was dit fort er nog helemaal niet. Helaas is het onduidelijk waar dit kanon oorspronkelijk vandaan komt. Mogelijk is het door de Engelsen uit het in 1795 gesloopte VOC fort A'Famosa in Melakka overgebracht naar dit Engelse fort.

Wij eten weer Indiaas en lopen nog wat door de Chinese straatjes. Wij bekijken onder andere een Chinees gildenhuis. Chinezen hebben hun beroepen in gilden georganiseerd. Veel van die gildenhuizen zijn uitsluitend voor leden toegankelijk. Hier is er één waarvan het tempel gedeelte voor iedereen open is. Het gildenhuis is zowel een sociale soos, er wordt nu stevig Mahjong gespeeld, als een tempel waar de beschermgod voor de beroepsgroep aanbeden wordt. Dit is bijvoorbeeld het Lo Pan gildenhuis. Het gilde van de timmermannen. Aan Lo Pan hebben wij uitvindingen als de schaaf, de beitel en andere slimme timmermangereedschappen te danken! Dit is één van de leuke dingen in Chinese steden en buurten buiten het "Moederland China". Eeuwenoude Chinese gebruiken die door de Chinese Communistische regering zijn opgeheven omdat zij "anti-revolutionair" zouden zijn, worden hier nog volop gepraktiseerd,

De volgende dag voel ik mij wel weer opgeknapt. De koorts is vannacht verdwenen. Het is alweer 21 februari, onze 8e dag in Maleisië en wij hebben nog vrijwel niets gefietst hier. Wij moeten nu echt maar eens verder. Wij fietsen vandaag naar Taiping, ik denk zo'n 85 kilometer, dat moet wel lukken. Het is al snel hel. Er is maar 1 weg naar Taiping en die is razend druk met zwaar verkeer. Op sommige stukjes is een vluchtstrook, maar die ligt vol met glas, steentjes, brokken steen en veel gemene kuilen. Het landschap bestaat uit oliepalmplantages, betonnen bouwcomplexen en dan weer oliepalmplantages. Het is heet en windstil. Het zweet vloeit rijkelijk en alle dieselroet kleeft daar weer lekker aan vast. Snel heb ik een bonkende hoofdpijn en ik voel mij flink beroerd. Mijn nek zit nu echt helemaal op slot; ik kan alleen nog maar naar het slechte asfalt beneden mij staren en zie dan nog net Jolanda's achterwiel. Dat volg ik. Ik ben duidelijk nog niet hersteld. Op een onduidelijke manier trap ik 96 kilometers bij elkaar en halen wij Taiping. Wat een dag. "Ik ben duizend doden gestorven", is de bijbehorende wielrenner uitdrukking. In het hotel lees ik een Engelstalige krant uit Maleisië. Ik lees onder andere dat in Melakka het water binnenkort op rantsoen gaat. Het is daar al maanden te droog en het stuwmeer voor de watervoorziening is bijna leeg. Ik lees dat in de moskeeën de Moslims komende vrijdag, morgen, gaan bidden voor regen.

In Taiping staan ook nog veel oudere huizen uit het begin van de 20e eeuw. Dat is wel leuk aan Maleise steden. Naast al de nieuwe betoncomplexen zijn veel oude huizen in dorpen en steden ook nog intact. In China en Thailand zijn die vrijwel allemaal gebulldozerd. Wat niet leuk is aan Maleise steden, is dat de stadsontwerpers duidelijk een voetgangershaat ten toon stellen. Iedere Maleise stad is helemaal ontworpen voor auto's. Een trottoir ontbreekt vrijwel altijd en voetgangers moeten gewoon op de (smalle) weg lopen. Oversteekplaatsen ontbreken ook.

Heimelijk moeten de Maleise stadsontwerpers hopen een deze manier een grotere kans te hebben zo'n tering voetganger te kunnen doodrijden, want oversteken is ronduit gevaarlijk. Erg primitief. Via Pantai Remis rijden wij in twee dagen naar Pulau (eiland) Pangkor. Ik ben nu weer goed opgeknapt. Het heeft nog steeds niet geregend. Een heel stuk rijden wij over een andere weg. Die is een stuk rustiger. Het landschap is nog net zo eentonig. Met een veerpontje gaan wij over naar het eilandje. Twee mensen met 2 fietsen kosten 10 Ringgit (3 Euro) voor een kort tochtje, Maleisië is duidelijk duurder dan Thailand. Veel dingen zijn nog wel goedkoper dan in Europa, maar het verschil is niet zo groot. Als wij aankomen is het snel duidelijk dat dit een Chinees vissers eiland is. In Thailand waren alle vissers Moslims, maar hier in dit Islamitische land merkwaardig genoeg niet. Er is weer veel activiteit.

Wij fietsen een rondje om dit kleine eiland en zien dan wel wat we doen. In de zuidoosthoek is een Kota Belanda: een Hollands fort. Eigenlijk is het een VOC fort. De Vereenigde Oost-Indische Compagnie was een 'nette' handelsfirma, voor die tijd dan. Dit in tegenstelling tot de West Indische Compagnie (WIC) die zijn grootste kassuccessen behaalde met piraterij en slavenhandel. De VOC was een NV, een bedrijf waarin mensen aandelen konden kopen en geen land. De VOC was bij de oprichting aan het einde van de 16e eeuw de eerste NV ter wereld! Pas in 1798 toen het faillissement van de VOC definitief was, kocht de Bataafse Republiek (1795 - 1806) als opvolger van de Republiek der Verenigde Nederlanden (circa 1600 – 1795) de schuld af van de VOC. In ruil daarvoor verwierf de regering alle bezittingen én dus ook de handelsgebieden van de VOC. Vanaf die dag waren het koloniën geworden. Pas toen werd de handelsmacht een echte koloniale bezettingsmacht. Dit VOC fort is gebouwd in 1670 voor tinopslag.

"In 1690 werd het verwoest door lokale Maleisiërs uit onvrede met de gebruikte mijnbouw methodes van de VOC", zo meldt het lokale infobord.

Ik kan mij moeilijk voorstellen dat de lokale bevolking in 1690 al een eco-actiegroep had, dus waarschijnlijk is dit verhaal incompleet. Die aanvaller was Panglima Kulub, een lokale krijgsheer. Het fort werd herbouwd in 1743 en vanaf toen bewaakt door 60 soldaten. In 1748 werd het definitief verlaten. Er staat nu alleen nog de gerestaureerde tinopslagkamer. Het oorspronkelijke fort is veel groter geweest. Ook dit VOC fort is gebouwd met originele Zeeuwse bakstenen. De VOC schepen vertrokken leeg uit Hoorn en Amsterdam. Als ballast gewicht namen ze Zeeuwse bakstenen mee, in plaats van water. Die bakstenen konden in "de oost" nog goed gebruikt worden voor huizen- en fortenbouw.

In de Noordwesthoek van dit eilandje Pulau Pangkor komen wij aan het begin van de middag langs een mooie baai met aan het strand bijna geen ontwikkeling. Een stukje landinwaarts zijn diverse simpele hotels en bungalows. Alles in laagbouw en weinig beton. Dit ziet er wel mooi uit. Wij nemen een simpele en kleine A-frame hut; een soort houten tent met elektra. Er is geen meubilair, dat past er namelijk niet in. Wij slapen op de vloer. Eigenlijk kost dit al 45 Ringgit, maar omdat het zo rustig is kost het vandaag voor ons maar 25 Ringgit. Altijd nog 7,50 Euro. Het is vandaag zaterdag 23 maart 2002. Vandaag is het Hadji (spreek uit Hadsch). Eén van de belangrijkste Islamitische feestdagen. Het is het hoogtepunt van de jaarlijkse pelgrimstocht naar Mekka in Saoudi Arabië. Deze pelgrimstocht is één van de "vijf pilaren" in de Islam en moet één keer gemaakt worden in het leven van iedere Moslim. Ook de Moslims die daar dit jaar niet gaan, vieren toch deze dag. Hadji is dus een feestdag voor alle Moslims. In deze provincie is het weekend op donderdag en vrijdag. Deze Hadji zaterdag is dus ook een vrije dag en het zou dus extra druk moeten zijn lijkt mij, maar dat is het om een onbekende reden niet. Wij zwemmen een uur lang in het lekkere water. Het is best wel druk met taxi en rondvaart bootjes die rondscheuren. Dus wij moeten goed opletten, want zij doen dat niet. Daarna zonnen wij nog wat. Het is een fijne middag. In de 'bungalow' naast ons zitten drie vriendelijke en beleefde Maleise jongens van een jaar of 18, uit een groep van zeven jongens. Ook zij vragen direct of wij getrouwd zijn en of wij kinderen hebben. Er is blijkbaar een grote sociale druk op deze mensen om kinderen te produceren, als dit de eerste vraag is die in hun hoofden opkomt.

 

Omdat het bungalowcomplex best wel lawaaierig was, het strandje ook niet het meest bijzondere van deze reis én de tijd wat begint de dringen gaan wij weer verder de volgende ochtend. Wij fietsen terug naar de haven. Als wij nog een super kampeerplek tegenkomen blijven wij nog een dag, anders gaan wij weer aan land. Onderweg zien wij weer diverse luxe dure resorts, die vrijwel leeg staan. Hier moeten financierders achter zitten die of: heel veel geld 'over' hebben, of: een zeer positieve groeiverwachting hebben voor de lokale resort-markt. Het probleem is dan er veel van dit soort investeerders zijn. Momenteel staan de meeste complexen vrijwel leeg. Het landschap wordt er niet mooier op. De superkampeerplek komt niet, dus rond de middag staan wij weer op het vaste land van Maleisië. Ook hier zijn weer veel bouwprojecten gaande, terwijl er evenveel onafgebouwde projecten staan. Ook veel Chinese stijl ondernemerscomplexen; een rij schoenendozen met garagedeuren en erboven woonruimte, alleen zijn ze hier wat luxer dan in China. Overal zijn de mooiste plekjes ingepikt door een upmarket woon- of vakantiecomplex. De, zeg, 10% rijkste bevolkingsgroep koopt alle mooiste plekjes. De rest van het volk moet wonen en recreëren op de overgebleven mindere plekjes. Ook Maleisië heeft duidelijk geen bestemmingsplannen of geplande landinrichting. Geld koopt alles. Er was nog een land waar dat zo sterk zichtbaar was, maar ik ben vergeten waar dat was. Oh ja, het was de USA.

In een dag of drie dagen willen wij naar het dorpje Kuala Selangor fietsen. De meeste nachten in Maleisië hebben wij in goedkope (Chinese) hotels geslapen. Deze avond slapen wij weer eens in de tent. Het regent hevig die avond. Allah heeft de boodschap ontvangen! Allah Akbar! (Allah is groot!). Wij staan onder een brug en de zelfgemaakte regenhoes kan zich nog niet goed bewijzen. Rond de tent vliegen een paar vuurvliegjes. Wat een grappig gezicht! Het zijn net vliegende LED lampjes van 1 mm met een helder wit licht.

De weg die wij vandaag gefietst hebben was best wel druk en het landschap nog steeds saai. Zo nu en dan passeerden wij een inactief Moslim dorpje en dan weer een actief Chinees dorpje. Idem wisselen de Moslim en de Chinese begraafplaatsen elkaar af. De overeenkomst is dat beide begraafplaatsen rustig zijn, verder zijn er weer veel verschillen. Op een Moslim graf staat slechts een bescheiden witte kleine pilaar van zo'n 40 cm hoogte. De graven liggen dicht bij elkaar. Er liggen honderden mensen begraven op een klein grasveldje. Er lijkt geen ordening in de graven te zitten: alles staat kriskras door elkaar. Om het terrein heen staan altijd veel bomen met heerlijk ruikende witte bloemen die lang goed blijven als je er een plukt [Apocynaceae aeusenata ait]. De Moslims hebben dus een verantwoord ruimtegebruik op hun begraafplaatsen.

Chinese graven lijken altijd op een helling te liggen. Rondom ieder Chinees graf staat een soort halfronde muur van meestal 1 meter hoog en 3 meter diameter. Bij de uiteinden is die muur nog maar halve hoogte. Die muur is vaak betegeld met witte badkamer tegeltjes (netzo als half China). Het graf ligt in die halfronde muur. Het hoofd van de overledene ligt naar het hoogste punt van die muur gericht. Sommige Chinese graven zijn echter véél groter. Er passen maar weinig Chinese graven op een groot veld. Alle Chinese graven staan keurig naar dezelfde richting en er lijkt een strikte indeling te heersen. Als alle Chinezen zo traditioneel begraven blijven worden, dan schat ik dat over 50 jaar minstens de halve wereld bedekt is met Chinese graven. Chinese graven worden volgens oud gebruik nooit meer opgeruimd of hergebruikt!

In onze tocht door west-Maleisië krijgen wij een aardig beeld van de drie bevolkingsgroepen van Maleisië. Dit is geen wetenschappelijk onderzoek, maar slechts onze beleving. Zo'n 15 % lijkt van Chinese komaf te zijn. Dit zijn Maleisiërs, maar hun voorouders zijn van Chinese komaf. De meeste winkels en bedrijven lijken door Chinezen gerund te worden. In de steden lijkt de hele economie wel in Chinese handen. De Chinezen wonen vaak langs de hoofdwegen en in Chinese buurten. Alle overige straten en dorpen lijken bewoond door Maleise Moslims. Bij de Chinezen is overal activiteit en alle winkelopschriften zijn in het Maleis én Chinees. Er gebeurt veel en er circuleert duidelijk veel geld. Alle Chinezen zijn vriendelijk. Van Chinese fruitverkopers ontvangen wij bijna dagelijks een donatie.

"Welcome to Malaysia" zeggen ze erbij.

De klanten zijn zowel Moslims, Indiërs als Maleisiërs. Voor de Chinezen maakt dat niets uit; handel is handel. Vrijwel alle Chinezen hier zijn Boeddhisten, de Chinese variant dan. Alle religieuze gebruiken rond huis en tempel zijn hier heel levendig. In China zagen wij dit nauwelijks. Omdat religie praktisering daar officieel verboden is. De Chinese communistische machthebbers noemen religie "Opium voor het volk" en "antirevolutionair". Sinds kort is religie aldaar in huiselijke kring weer voorzichtig toegestaan. Hier zien wij ze de hele dag: wierrookceremonies, tempelbezoeken en geldverbranding. Het wordt verbrand voor welvaart in een later leven. Hoe meer je nu verbrandt, hoe beter voor later. Veel Chinezen verbranden stapels zo dik als telefoonboeken. Officieel moet dit blaadje voor blaadje, maar de meesten doen het met tientallen tegelijk, dat is sneller. Het betreft speciaal voor deze toepassing gedrukt geld.

Zo'n 5 % van de Maleise bevolking lijkt Indiër te zijn. Ook dit zijn Maleisiërs, maar hun voorouders komen uit India. Meestal uit de zuidelijke staat Tamil Nadu. Ook de Indiërs wonen in buurten bij elkaar. De Indiase eethuisjes in die buurten zijn een favoriete stop voor ons. De meeste Indiërs zijn weer breedlachend, vrolijk en beleefd. Iedereen is welkom. Het lijkt de Indiërs redelijk goed te gaan. Er ligt soms een enkele beroepsbedelaar voor een Hindoe tempel, maar dat is typisch Indiaas zullen we maar zeggen. Bij de Chinezen en Maleise Moslims zien wij dat slechts zéér sporadisch.

Dan blijft over de meerderheid: Maleise Moslims. Nogal wiedes hier in Maleisië waar Islam de officiële staatsreligie is. Er is grondwettelijke vrijheid van godsdienst voor iedereen. Zo'n 80 % van de Maleise inwoners lijkt tot deze meerderheid te behoren. Voor ons splitst deze groep heel duidelijk in tweeën.

Ongeveer de helft van deze groep lijken ons 'verlichtte' of 'hervormde' Moslims. Ze zijn goed opgeleid, spreken uitstekend Engels en zijn heel correct en geïnteresseerd in de omgang met ons. Ze spreken ons aan en groeten vrolijk terug als wij hun groeten. Ze lijken allemaal een prima baan te hebben en leven op een hoog welvaartsniveau, voorzien van vele gemakken. Zij hebben een baan, rijden auto en wonen in een goed huis. De vrouwen uit deze groep dragen vaak een kleurrijke hoofdoek en zijn verder vrolijk gekleed. Zij maken volledig deel uit van het openbare leven.

De andere helft van deze groep Maleise Moslims lijkt anders. Deze mensen lijken veel strikter in hun levensstijl. De mannen zijn direct herkenbaar als Moslim met hun lange baard, keppel en vaak witte pak wat zij dragen. Het lijkt een beetje op een huispiyama. De vrouwen uit deze groep zien wij niet zo vaak. Als wij ze zien, dan lopen zij zwart gesluierd in een chador. Ze kijken je niet aan en zeggen niets, meestal zelfs niet als Jolanda ze groet. De mannen uit deze groep mompelen wat terug als wij ze gedag zeggen, en dan zeker niet allemaal. Wij hebben bij deze groep een beetje het gevoel weggekeken te worden. Niet altijd, maar vaak toch wel. Wij fietsen weliswaar in een korte broek, maar zo kort is die ook niet en onze shirts bedekken volledig onze schouders en bovenarmen. Dat laatste word overigens in heel Azië gewaardeerd. Zelfs dan, en als ik Jolanda een beetje op de achtergrond laat en ik de heren de universele Moslim groet "Saalaam Aleeykoem" (moge de vrede op u neerdalen) breng, komt er slechts wat gemompel terug en zeker nog niet altijd. Een enkeling groet wel hardop en lachend terug "Vaaleekoem Saalaam!" (moge de vrede ook op u neerdalen!). Het kan dus wel. Deze 40 % van de Maleisiërs die wij gezien hebben, lijken een beetje in hun eigen micro-wereldje te leven. Er staat een soort virtueel hek omheen: er kan niets in of uit. Veel van deze mensen wonen in huisjes die wel een opknapbeurt kunnen gebruiken. Die staan vaak in de achterafstraatjes, waar duidelijk minder activiteit is. Sommigen hebben een (oudere) auto, maar velen 'slechts' een brommer (wijzelf hebben alleen een fiets, ook redelijk hardcore, maar dat terzijde). Ze spreken zelden Engels en de meesten lijken niet veel te doen te hebben overdag. De productiviteit van deze groep als geheel lijkt erg laag te zijn. Deze groep lijkt alleen spullen te kopen bij winkels en restaurants uit hun eigen groep. Die eethuisjes serveren Halal eten: eten wat voldoet aan de voedselvoorschriften van de Islam. Vreemd genoeg verkopen de winkeltjes uit deze sub-economie geen noodles of wc-papier (Indiase winkels verkopen wel wc-papier en Chinese winkels verkopen beide: handel is handel). Maar in veel halal eettentjes en winkeltjes wordt helemaal niet veel gekocht en verkocht. Er circuleert duidelijk weinig geld in deze sub-economie. In Maleisië lijkt dus ongeveer de helft van de 80 % meerderheid overeen te komen met alle klassieke westerse vooroordelen over Islam en de andere helft dus absoluut niet. Is dit goed nieuws of slecht nieuws? Ik weet het niet. Het zit precies in het midden. Het is slechts mijn observatie.

De eetgewoontes van de verschillende groepen zullen onderling vast wel voor wat scheve ogen zorgen. Chinezen eten alles. Indiërs (de Hindoe's) eten vaak vegetarisch en in ieder geval nooit rundvlees. Moslims eten veel vlees, meestal rund of kip. Moslims eten nooit varken, hond, of watervogels als eenden. Dát zijn weer de favorieten van de Chinezen, die waarschijnlijk niet veel begrijpen van de voedselrestricties van de andere groepen (eten is eten). Chinezen grappen wel eens:

"Als het 4 poten heeft, en het is geen meubilair, dan eten wij het".

Als je aan hun etnische of religieuze kenmerken de verschillende groepen nog niet kunt herkennen, dan zul je het zeker wel doen aan hun eethulpmiddelen. Chinezen eten het liefst met eetstokjes. Maar met westerse stijl bestek kunnen zij natuurlijk ook overweg. Indien praktisch, wordt eten met twee handen zeker niet geschuwd. Bijvoorbeeld bij het afkluiven van een lekker varkensribje of runderkarbonade. Indiërs eten altijd met hun hand, de rechterhand. Nooit met de linkerhand. Moslims gebruiken vork, lepel en mes, indien nodig ook de rechterhand. Nooit de linkerhand. Alleen Chinezen en westerlingen eten met twee handen, rechts én links. Dit natuurlijk weer tot afschuw van Indiërs en Moslims. Samen leven is zeker niet makkelijk. Maar in Maleisië lijkt het wel goed te gaan.

Op dinsdag 26 februari 2002 rijden wij vroeg in de middag het dorpje Kuala Selangor in. Kuala betekent 'modderig'. Selangor is naam van de grote rivier die hier in zee stroomt. De rivieren hier bevatten veel modder, vandaar deze gangbare naam. De Maleise hoofdstad is natuurlijk Kuala Lumpur, wat zoveel als 'Modderige Nederzetting' betekent. Volgens onze kaart moet hier in Kuala Selangor een natuurpark zijn. Wij gaan er naar op zoek, mogelijk biedt het een goed kampeerplekje. Het is niet goed aangegeven en wij raken het spoor regelmatig kwijt. Wij doen navraag bij een duur hotel. De Maleise receptionist is zeer behulpzaam en spreekt uitstekend Engels. Hij geeft ons een plattegrondje van dit stadje. Daarop staat ook het natuurpark. Op dat kaartje zien wij ook een Bukit Belanda staan. Wij weten ondertussen de betekenis daarvan: Hollandse heuvel. Dat ruikt naar VOC, daar gaan wij eerst maar eens even kijken.

Het is inderdaad een heuvel. Bovenop is een vierkanten vlakte van circa 150 bij 150 meter. Vanaf de heuvel hebben wij een strategisch uitzicht over de monding van deze rivier en de Straat van Melakka er voor. Bovenop deze heuveltop heeft duidelijk rondom de muur van het fort gestaan. Nu is er niet veel meer over dan de aarde wallen en enkele losliggende kanonnen met VOC wapen. Dit is fort Utrecht geweest. De VOC bevelhebber die de slag tegen Raja Hadji bij Teluk Ketapang gewonnen heeft, heette Utrecht. Dit was het eerste Hollandse verdedigingswerk aan de Maleise kust. Pas in 1784 ontving dit fort de naam 'fort Utrecht'. Het ging hier allemaal om de tin, die stroomopwaarts op de Kuala Selangor rivier gewonnen werd. Om het VOC tin-monopoly te bewaken moest de rivier die toegang bood tot het tinwingebied dus bewaakt worden. Tin was in die dagen een waardevol niet-giftig metaal om bestek en servies van te maken. Ook werd het gebruikt in bronslegeringen om kanonnen van te gieten.

Het natuurpark is nu zo gevonden. De grootste attractie lijken de vele muggen en de sompige modder te zijn. Niet ideaal als kampeerplek. Wij praten even met de vriendelijke park manager.

"Vuurvliegjes komen hier ook voor. Maar deze hier knipperen niet synchroon. Een stuk stroomopwaards langs deze Kuala Selangor rivier is een plek waar niet alleen miljoenen vuurvliegjes zijn, maar die knipperen ook nog eens synchroon", zegt hij.

Een dubbel wonder. Hij denkt dat wij daar ook wel ons tentje kunnen neerzetten. Daar gokken wij op. Rustig fietsen wij er naar toe. Tijdens ons ronddolen eerder op de middag hadden wij het richtingbord al gezien. Het is ongeveer een uurtje rustig fietsen. Een Indiër op een brommer komt naast ons rijden. Hij had ons in de stad al gezien en vraagt of wij bij hem thuis een glaasje ranja komen drinken. Wij hebben nog tijd genoeg, dus wij stemmen in. Zijn simpele houten huis staat tussen de oliepalmplantage, waar het landschap nog steeds vol mee staat. De voorouders van deze man komen uit Tamil Nadu in India. De voorouders van zijn vrouw komen uit Sri Lanka (Ceylon). Hun talen zijn als Nederlands en Vlaams: vrij sterke dialecten maar verder wel uitwisselbaar. Wij krijgen een glaasje ranja. Ik zeg dat wij op weg zijn naar het vuurvliegjes park aan de Kuala Selangor rivier.

"Nog niet zolang geleden kwamen die vuurvliegjes overal voor, ook bijvoorbeeld hier. Gewoon langs de weg. Maar de laatste jaren groeit hier nog maar één plant, de oliepalm. Het leefmilieu voor de vuurvliegjes is verdwenen en de vuurvliegjes dus ook", zegt hij.

De monocultuur van oliepalmplantages biedt mogelijk korte termijn economische voordelen, maar de lange termijn schade lijkt veel groter in steeds meer opzichten. Maar wie kijkt verder dan de horizon die brood-op-de-plank-vandaag heet? Het gespreksonderwerp komt al snel weer op kinderen uit. Zij hebben drie kinderen. Wij geen. Hij kijkt nu héél zorgelijk. Het spijt hem dat hij de vraag gesteld heeft. Hij is echt ontdaan. Wij zeggen dat wij gekozen hebben voor een leven zonder kinderen en dat wij zelf vinden dat wij het goed doen. Nee, nee, het is vreselijk naar dat hij daar naar gevraagd heeft. Het spijt hem oprecht. Nu wordt hij wat opgewekter. Hij ziet duidelijk licht.

Hij kent twee andere stellen die geen kinderen konden krijgen. Hij weet echter een drankje, waarmee beide stellen het uiteindelijk toch gelukt is om kinderen te krijgen! Er is hoop! Hij kan het wonderdrankje kosteloos voor ons regelen! Nee, dank u. Wij zijn zeer tevreden over ons leven zoals het nu is; het hoeft écht niet. Dank U! Tsja, tjsa, hij zegt dat hij het begrijpt. Maar volgens mij begrijpt het écht niet! Wij bedanken voor de limonade en gaan maar weer verder. Zonder kinderen.

Even later vinden wij probleemloos bij Kampung Kuantan (dorp Kuantan) het vuurvliegjes park. Zo heet het althans. Het is geen echt park, het is zelfs geen officieel beschermd gebied. Langs dit stuk rivier is de oorspronkelijke begroeiing toevallig nog intact en dus zijn de vuurvliegjes hier nog. Wij mogen de tent inderdaad opzetten op het grasveldje voor het kantoortje. De vuurvliegjes zitten vooral vlak langs de waterkant en kunnen het beste per roeiboot bekeken worden zodra het donker is. Wij moeten een roeibootje huren met menselijke aandrijving erbij en dat kost 40 Ringgit (12 Euro). Er kunnen maximaal 4 personen mee. Wij zijn echter alleen. Vlak voor het donker wordt komen er nog een aantal toeristen. Twee mooie jonge Zweedse meisjes willen wel met ons in het bootje stappen, zo delen wij de kosten. Zij zijn nogal bloot gekleed; wat zij wel aanhebben zit zo strak om hun lijven dat er weinig fantasie voor nodig om te raden hoe zij er uitzien helemaal zonder kleding. Hoewel zij zeker niet lelijk zijn, is deze stijl niet ideaal in Azië, helemaal niet in een Islamitisch land. Veel westerse toeristen lijken dat niet te snappen overigens. Ze werden gebracht door een man uit hun hotel, die ze ook weer ophaalt en morgen weer ergens anders naar toe brengt. Hij lijkt letterlijk aan de twee Scandinavische schonen vastgeplakt te zitten en draait voortdurend om hun heen; zo dichtbij mogelijk. Die blondines lijken dat niet zo prettig te vinden maar weten niet goed hoe ze op een acceptabele manier van hun belager moeten afkomen. Zodra het donker is, roeit onze bootjongen stroomopwaarts. Hij staat daarbij en duwt als het ware het houten bootje stroomopwaarts. Hij vaart vlak langs de kanten. Daar, half in het water, groeit een familielid van de eikenboom [Sonneratia caseolaris]. Deze boom produceert een sapje, wat de vuurvliegjes eten. Dat doen zij overdag. Zodra het donker wordt doen de vuurvliegjes hun lampjes aan. Overdag gaat het om eten; zodra het donker wordt gaat het alleen nog maar om seks. Overal knipperen nu lampjes. Wat een mooi gezicht!

Helaas is het vanavond volle maan, het is de laatste dag van het Chinese Water Paard nieuwjaarsfeest. Maar toch zijn de ontelbare vuurvliegjeslampjes goed te zien van zo dichtbij. De meesten knipperen inderdaad synchroon, een wonder! Alsof ze allemaal met een dun elektrisch draadje aan elkaar verbonden zijn en op een stroompulscommando allemaal hun lampjes aan en dan weer uit doen. Maar misschien staan ze allemaal gewoon met een GeeEs-eMmetje in verbinding en gaat het van "Drie-twee-één: lampje aan! En lampje uit!". Het lampje licht zo om de drie seconden even op. Het geeft een heel helder wit licht. De mannetjes produceren het meeste licht, de vrouwtjes reageren met een zwak knippertje terug. Want laat hier geen misverstand over bestaan: het draait allemaal om seks. De mannetjes lokken de vrouwtjes met hun optische contactadvertentie, voor ons onleesbaar. De vrouwtjes kunnen blijkbaar wel verschillen ontdekken, want van dichtbij zien wij dat verschillende zojuist gevormde stellen druk bezig zijn de aankomende generatie van vuurvliegjes te verwekken.

Vuurvliegjes worden ook wel eens glimwormen genoemd. Dat is een wat vreemde naam, want deze beestjes stammen uit de familie van de kevers. De sub-soort die hier in Maleisië leeft is de Pteroptyx tener. Deze zijn ongeveer 8 mm groot en leven maar een paar maanden. De vliegende LEDjes maken twee chemische stofjes aan, luciferine en luciferase, deze worden gemengd en oxideren direct in aanraking met de zuurstof in lucht. Het resultaat is een korte heldere lichtpuls. Alle dieren die lichtpulsen geven werken met deze zelfde chemische truc. Tijdens het grote versierfeest zitten de pulsgevers meestal op een blad, maar sommigen versieren al vliegend de andere sekse. Volgens een lokale Maleise bron geven de mannetjes het meeste licht en lokken zo de vrouwtjes. Volgens de Encarta Encyclopedie Winkler Prins Editie is dat precies andersom (vrouwtjes maken meeste licht en lokken de mannetjes). Wie precies wie versiert om daarna 'het' te doen, weten wij niet. Als optisch spektakel maakt dat ook niet veel uit: het is een prachtig en bijna magisch tafereel. Vuurvliegjes kunnen op vele plaatsen ter wereld aanschouwd worden, vooral in de tropen. Het lichteffect mag dan wel verklaard zijn; voor het synchroon knipperen door miljoenen vuurvliegjes is geen verklaring. Synchrone vuurvliegjes zijn maar op een paar plaatsen ter wereld te zien: waaronder dit plekje. Het bootje laat zich weer stroomafwaarts zakken en niet veel later liggen wij tevreden in ons camou-tentje te slapen. Niemand die ons ziet.

Op 1 maart fietsen wij de Kuala Linggi rivier over. Wij kunnen niet over water fietsen, dus wij gebruiken de brug die de hoofdweg rijk is. Een paar kilometer verder zien wij een vervallen bordje aan een paal hangen met het opschrift Kota en een pijl naar rechts. Ah-ha, een fort dus. Wij gaan even op onderzoek. Het is wat zoeken en vragen, maar via een aantal paadjes en afslagen zijn wij weer terug de Kuala Linggi rivier, nu bij de monding in de straat van Melakka. Hebbes! Hier zijn de resten van het VOC fort Filiphina. De dochter van de toenmalige VOC gouverneur heette zo. Dramatische taferelen hebben zich hier afgespeeld. Er was een eerste oorlog tussen de Bugi's en de VOC van 1756 tot 1757. De Bugi's waren een Islamitisch volk wat zijn thuisbasis had helemaal in Sulawesi in het tegenwoordige Indonesië. Daar leven zij tot op vandaag nog. Destijds waren zij een gevreesde macht die helemaal tot hier de dienst uitmaakten. Na een door de VOC kanonnen toegebrachtte zware nederlaag moesten de Bugi's wel vrede sluiten. Op 1 januari 1758 werd hier op deze plek waar wij nu staan de vrede getekend. Dit afgedwongen contract gaf de VOC het monopoly op de tin winning stroomopwaarts van de Linggi en Rembau rivieren. De Bugi's bouwden samen met de Hollanders dit fort. De vrede met de Bugi's hield stand tot 1782. Fort Filiphina ligt op een heuveltop met een strategisch uitzicht over de monding van de Kuala Linggi rivier. Veel meer dan de aardewallen is er niet meer over.

Het Maleise leger heeft nu een legerplaatsje half naast en over deze historische locatie gemaakt. Zo te zien heeft het leger voor zichzelf van historische oude bakstenen een nieuw zitje gemetseld met uitzicht over de straat van Melakka. Toch is het leuk dit stukje van de VOC puzzel gezien en uitgezocht te hebben.

Wij fietsen verder richting Melakka. Hier zijn de wegen wat rustiger. Het landschap bestaat nog steeds hoofdzakelijk uit oliepalmplantages. In Maleisië zijn veel wetlands omgezet in oliepalmplantages, die het landschap langzaam uitdrogen. Die oliepalmboom komt oorspronkelijk uit Ghana in Afrika, maar nu is driekwart van het Maleise kustlandschap ermee vol geplant. Om de 4 weken worden de trossen noten geoogst. Ze lijken op grote zwarte olijven. Daar wordt palmolie uit geperst. Het is een belangrijk onderdeel van veel zepen maar ook als goedkope massa/vulling in voedingsmiddelen als koek, ijs, noodles enzovoort. De natuurlijke sponswerking van het land is hierdoor echter verstoord met klimaatverandering als eerste gevolg. Wij kopen nu bijna dagelijks een paar kilo heerlijke mango's. De stalletjes staan gewoon langs de weg, dus dat is makkelijk. Terug, noordwaarts, hebben veel tropische vruchten een vast oogstseizoen. Papaya's in de wintermaanden; Jackfruit in oktober tot december; Mango's in de heetste zomermaanden. Zo dicht bij de evenaar als wij nu zijn, hebben deze vruchten geen vast seizoen meer en zijn het hele jaar leverbaar. Deze vruchten hebben wel nog steeds een periode met de hoogste aanvoer: in de maanden dat zij noordelijker hun seizoen hebben. Hier kunnen wij dus het hele jaar door mango's eten: ze zijn geweldig!

Op vrijdag 1 maart fietsen wij Melakka binnen. Na wat zoeken vinden wij een Chinees guesthouse aan de rand van de oude stad. Dit is eeuwenlang de hoofdstad van zuidoost Azië geweest. Vele naties en religies hebben er om gestreden.

"Als 7 naties strijden om een been, dan lopen de Chinezen er vreedzaam mee heen" zou je kunnen zeggen. Het Melakka van vandaag lijkt vooral een Chinese stad. Enkele van de strijdende partijen in de afgelopen eeuwen (1511 – 1957) waren: Portugezen, Rooms Katholiek. Hollanders, handelaren. Engelsen, handelaren. Japanners, Shintoïsten en oorlogs bezetters. Bugi's, Moslims. Ahceh (spreek uit At-jéé), Moslims. Johor, Moslims. Engelsen, koloniale bezetters. Al die tijd bleef het Chinese deel van de bevolking maar handel drijven. De reden waarom deze stad zo begeerd was hing daar mee samen: het was letterlijk het centrum van commercie en goederen in de hele regio. Er waait weinig wind in de smalle straten van de tegenwoordige stad. Het is erg heet. Zelfs de locals klagen over de hitte, die intenser moet zijn dan gebruikelijk. Het is al te lang te heet en te droog. Veel winkels verkopen grote plastic vaten die veel gekocht worden. Het leidingwater wordt hier binnenkort gerantsoeneerd, dat lees ik in de lokale krant. Het stuwmeer in de bergen voor de watervoorziening is bijna leeg door de uitblijvende regen in zuid-Maleisië. Ook lees ik in die krant dat een Australische vrouw is gearresteerd op Kuala Lumpur luchthaven omdat zij 4 kilo heroïne onder haar kleding had verstopt. Die krijgt de strop. Westerlingen krijgen geen speciale behandeling. Dat vind ik goed. Drugssmokkel is drugssmokkel.

In 1405 arriveerde in Melakka de Chinese admiraal Cheng Ho, met geschenken uit China en hij sloot een verbond met de lokale heersers voor bescherming en samenwerking. Enkele decades later volgde een huwelijk tussen de Johor (vandaag één van de staten in de Maleise Federatie) Sultan Manson Shah met de Chinese prinses Hang Li Poh. Dit was een periode van snelle bloei en welvaart. Melakka werd een regionaal centrum van de wereld waar alles te koop was. De verhalen over Melakka's rijkdom bereikten vele uithoeken van de wereld, ook Portugal. De Portugezen waren in de 16e eeuw de grootste zeemacht ter wereld en in 1511 waren het de eerste Europeanen die Melakka innamen. De locals kenden toen nog niet het geluid wat kanonnen bulderen. Dat geluid leerden zij die dag en zij zagen het als een slecht teken voor de toekomst. Daarin hadden zij gelijk. De Portugezen hadden een simpel business plan. Zij zouden goed geld verdienen met handel in specerijen en stoffen. Ondertussen zouden de locals zich laten bekeren tot de Rooms Katholieke kerk. Uiteraard zouden de lokale mensen niets liever doen dan dat: verlossing voor iedereen! Zodra iedereen Rooms Katholiek was, zou iedereen de Portugese heersers gehoorzamen. Zo kon iedereen snel en makkelijk rijk en gelukkig worden.

Het Portugese business plan werkte niet omdat de market research niet deugde. De lokale bewoners wilden zich natuurlijk helemaal niet laten bekeren tot de religie van de indringers. De Portugezen werden ziek van de lokale ziektekiemen en de locals van de Portugese ziektekiemen. In tijden van spanning neemt handel af, dus de rijkdom zakte al snel in. Verschillende groepen kwamen al snel in opstand tegen de witte mensen die zichzelf een plekje hadden veroverd. Sommige groepen begonnen een gewelddadig verzet omdat zij uitgebuit werden, anderen om hun eigen religie de Islam te verdedigen. Of beiden.

De Portugezen hadden in al hun koloniale gebieden hetzelfde business plan. Het werkte nergens. Overal begon Portugals positie te wankelen. Er waren gelijk kapers op de kust. De geruchten over Melakka's schatten hadden ondertussen ook Holland bereikt. Een eerste VOC poging in 1606 onder leiding van bevelhebber Cornelis Matelief om Melakka in te nemen was mislukt. In 1640 zette een eskader zwaar bewapende VOC schepen opnieuw koers naar Melakka. De stad Melakka viel op 14 januari 1641 om 10 uur in de ochtend. Dat is één zinnetje in deze tekst. Zo simpel was het niet. De Portugezen gaven zich pas over na acht maanden belegering. Het was een wederzijdse uitputtingslag. Met beschieting of bestorming was de stad niet in te nemen. De Hollanders omsingelden de stad en vergiftigde de waterbron. Dat hadden zij in 1606 ook al een keer gedaan. Vele Portugezen kwamen daarbij om. Beide partijen beschoten elkaar over en weer. Ziektes, uitputting en verlies van moraal sloegen het hardst toe en in gelijke mate bij beide partijen. Ondertussen was zo ongeveer alles in puin geschoten. Waar het allemaal om begonnen was, Melakka's rijkdom, was verdwenen.

Een laatste groepje Portugezen hield stand in het fort A'Famosa. Dat fort hadden de Portugezen spoedig na hun verovering van Melakka gebouwd. Nu stond er nog een laatste stukje van overeind. In de vroege ochtend van 14 januari 1641 zwaaide de Portugese bevelhebber met de witte vlag. Een overgave werd snel onderhandeld. De Portugezen vertrokken uit Melakka na een bezetting van 130 jaar, 3 maanden en 4 dagen. De Portugese bevelhebbers werden als gevangenen naar Batavia (Jakarta) gestuurd en de rest kreeg een vrije aftocht. Batavia was het regionale hoofdkantoor van de VOC. Voor de locals in Melakka maakte het allemaal niet zoveel uit. De eerste Europese bezetter werd verruilt voor de tweede. Door het wapengebulder tussen de Europese bezetters waren de bezittingen van de bewoners ondertussen allemaal verwoest. De VOC had een nieuwe handelspost, maar alles was in puin. De VOC had echter een beter business plan dan de Portugezen. De Hollanders van de VOC waren slechts geïnteresseerd in handel. Dat ligt een stuk dichter bij de natuurlijke interesse van mensen rondom de wereld. Iedereen mocht iedere religie behouden die men wilde. Ook was de VOC slechts een handelsfirma en geen land. Geen volledige koloniale bezettingmacht. Het handelsmonopoly op bepaalde grondstoffen was 'voldoende'. Maar al spoedig werden de destijds machtige vuurwapens, schepen en kanonnen van de VOC ingezet in regionale intriges. Door praktische verbonden te sluiten met lokale warlords en sultans wist de VOC haar handelsmonopoly steeds verder uit te breiden. Een 'nette' handelsfirma (voor die tijd) met regionale politieke verbonden: de VOC was religieus dan wel onpartijdig, op handel en politiek gebied zeker niet!

De Portugezen konden in 1511 Melakka makkelijk innemen omdat het geen fort had. De VOC had van 1640 tot 1641 acht maanden nodig voor de inname, omdat de Portugezen hun A'Famosa fort hadden en op gelijk niveau bewapend waren. In het noorden van de stad is een heuvel die vandaag Bukit China heet, omdat op deze heuvel de grootste Chinese begraafplaats buiten China te zien is. Na de verovering van Melakka in 1641 wilde de VOC op die heuvel hun nieuwste fort bouwen. Er was al een ontwerp gemaakt in de voor die tijd typisch Hollandse vijfhoekvorm, een pentagon. Op een andere heuvel van Melakka, Bukit St. Paul, stond de Portugese Francis Xavier kerk die ook verwoest was in de oorlogshandelingen. De materialen van die kerk wilde de VOC gebruiken voor hun nieuwe fort op Bukit China. Maar het VOC bestuur in Bataviva vond de kosten te hoog van een compleet nieuw fort op Bukit China voor de verwachtte opbrengsten van het nieuwe gebied. Die vielen namelijk direct al erg tegen. De Return On Investment zou te lang op zich laten wachten. Toen werd het verwoestte Portugese fort maar weer opgelapt. Bovendien was voor de VOC Batavia de belangrijkste handelstad en dat moest zo blijven. Melakka mocht niet in andere handen vallen om dan een concurrent van Batavia te worden.

Melakka's economie krabbelde langzaam weer wat op. Ondertussen hadden andere regionale machten andere plannen omdat zij hun handelsbelangen in Melakka zagen verdwijnen en zich toch bedreigd voelden in hun religie, Islam. Of was dat laatste slechts een bindmiddel? De Bugi's uit Sulawesi voerden regelmatig aanvallen uit. De Ahceh (spreek uit At-jéé) uit het noorden van Sumatra wat ligt aan de overkant van deze Straat van Melakka waren ook regelmatig als strijdende partij te zien evenals de lokale bevolking, de Johor. Die Bugi's uit Sulawesi waren door de lokale bevolking én de VOC een gevreesde macht. Een soort oost-Aziatische Vikingen die strooptochten langs alle regionale kusten uitvoerde. De VOC linieerde zich daarom met de lokale Maleisiërs (de Johor) tegen de Bugi's. Daarop volgde een deels geslaagde aanval op Melakka door de Bugi's maar dankzij het herbouwde Portugese fort kon de stad niet ingenomen worden. Een escalatie van deze eerste oorlog tussen de VOC en de Bugi's volgde in 1757. Batavia zond meer schepen naar Melakka. De Bugi's trokken zich toen terug naar de Kuala Linggi rivier. Op een avond vertrok een eskader VOC oorlogschepen uitgerust met zware kanonnen vanuit Melakka. Nog voor het ochtendgloren bereikten zij de riviermonding van de Kuala Linggi rivier. De VOC schepen gingen in één vuurlijn liggen en blokkeerden zo de uitgang van de rivier. Bij het krieken van de dag openden zij het vuur. Vrijwel alle Bugi schepen werden in puin geschoten en zonken. Het was een zeer zware nederlaag voor de Bugi en voor hun was geen andere keus over dan het 'vredesverdrag' op VOC condities te tekenen. Dat was op 1 januari 1758, op de plek waar daarna het VOC fort Filiphina gebouwd werd. En dan zijn wij weer terug bij dat kota plekje wat wij een paar alinea's terug op 1 maart 2002 bij toeval herontdekt hadden.

De Hollanders bouwden in 1760 ook een tweede fort, fort Johannes, op een heuvel iets ten oosten van de stad. Vanaf fort Johannes kon het herbouwde fort A'Famosa overzien worden en andersom. Deze dubbele verdediging werkte goed, want Melakka is tijdens de VOC heerschappij geen éénmaal met geweld ingenomen.

De vrede tussen de Bugi's en de VOC duurde tot 1782. De regionale Bugi leider was Raja Hadji. Zijn tweede naam Hadji (spreek uit Hadsch) geeft aan dat hij de pelgrimstocht naar Mekka heeft volbracht en dus een Moslim was. Raja Hadji had zichzelf tot Bugi onderkoning van het huidige noorden van Maleisië gemaakt. In 1782 brak er ruzie uit tussen Raja Hadji en de VOC over de verdeling van een oorlogsbuit. Een nieuwe (tweede) oorlog tussen de Bugi's en de VOC was onvermijdelijk. Bij de Riau eilandengroep, gelegen tussen het huidige Singapore en Sumatra (van Indonesië), vond een eerste slag plaats. De VOC viel aan met 13 licht bewapende handelsschepen en 1504 manschappen. Die 13 schepen waren geen geluksgetal voor de VOC, want Raji Hadji wist te ontkomen. Hij landde toen bij Teluk Ketapang, nabij Melakka. Van daaruit voerde hij bijna dagelijks roofovervallen uit op de directe omgeving van Melakka. In 1784 kwam de reactie van de VOC. Nu werden ingezet: 6 zwaar bewapende oorlogschepen met 2130 man en niet minder dan 326 kanonnen. In de nacht gingen 734 mannen in alle stilte aan land gewapend met bajonetten. De overige 1396 man bleven op de oorlogsschepen. Eén van hen was bevelhebber Utrecht. Bij het gloren van het eerste daglicht gaf Utrecht bevel het vuur te openen op de Bugi schepen voor de kust. Als 326 synchrone vuurvliegen bulderden Utrechts kanonnen. De hele Bugi-vloot werd verwoest. Tegelijkertijd kwamen de 734 gelandde soldaten in actie. Er volgde een zeer fel gevecht met zware verliezen bij beide partijen. De Bugi's leken het onderspit te gaan delven. Trouwe volgelingen van Raja Hadji smeekten hem om weer te vluchten, maar hij wilde dat niet. Raja Hadji werd in de strijd gedood door een VOC kogel. De strijd was ten einde. Het fort op Bukit Belanda op de heuvel bij de Kuala Selangor rivier werd later tot fort Utrecht gedoopt, ter ere van deze VOC bevelhebber die deze laatste slag tegen Raja Hadji had gewonnen. Daarmee is dit verhaaltje weer tot een einde gekomen en zijn wij terug bij het VOC fort Utrecht welke wij op 26 februari 2002 bezochten. De oorlogen tussen de VOC en de Bugi's waren hiermee ook tot een einde gekomen.

Aan de heerschappij van de VOC kwam ook spoedig een einde. In 1795 moest de regering van de Republiek der Verenigde Nederlanden namens de VOC Melakka in voogdij aan de Engelsen geven. De Engelsen en de Hollanders waren ondertussen bondgenoten geworden na 4 zeeoorlogen tussen 1652 en 1784 tegen elkaar gevoerd te hebben. Engeland was duidelijk de sterkste en was de nieuwe sterkste zeemacht ter wereld. Bondgenoten is een groot woord, want het vertrouwen was wederzijds erg laag: het waren nog steeds handels concurrenten met een nu herschikte militaire rangorde. Maar Frankrijk werd toen de nieuwe gezamenlijke vijand. Dit voogdij verzoek was geen vrijwillige beslissing van de Nederlandse regering. Het Franse leger onder leiding van Charles Pichegru was de lage landen in januari 1795 binnengevallen, daarbij slim gebruik makend van toen de bevroren rivieren. Onderling was tussen de Hollanders een strijd gaande tussen Orangisten en staatshervormers. Na de vlucht van Koning Willem V naar Engeland op 18 januari 1795 werd de Republiek der Verenigde Nederlanden omgedoopt tot de Bataafse Republiek (1795 tot 1806) en dat was een majonetbestuur onder Franse invloed. Volgens sommigen dan. Volgens anderen was het een overgang naar een moderner verlicht staatsbestuur. Chaos en verwarring alom dus. Het einde van de Hollandse gouden eeuw en de VOC werd hiermee in ieder geval definitief. De VOC was in 1798 definitief failliet en opgeheven.

De Engelsen hadden in 1795 niet veel tijd nodig om "ja" te zeggen op dit voogdij verzoek. Zo makkelijk hadden ze nog nooit een nieuw gebied aan het imperium kunnen toevoegen. Ondertussen hadden de Engelsen ook het eiland Penang in het noorden van Maleisië in hun bezit gekregen. Uit vrees dat de Nederlanders ooit weer eens terug zouden keren naar het fort van Melakka, werd het fort verwoest. Omdat Melakka officieel nog Nederlands was en als een concurrent werd gezien voor het inmiddels officieel Engelse eiland Penang met als centrum de stad Georgetown. Alleen de poort van het VOC fort bleef de verwoesting bespaard en staat er vandaag nog. Die poort die vandaag nog te zien is, is dus de originele poort van het Portugese A'Famosa fort, waar omheen later het VOC fort gebouwd is maar met diezelfde poort. Van Melakka's glorie als wereldhandelscentrum was ondertussen niets meer over. Ook werd de Chinese bevolking van Melakka door de Engelsen gedwongen om te verhuizen naar Penang. Al die tijd bleven verschillende volken het gebied aanvallen om de heerschappij te veroveren: De Nanning (havenstad in de zuidelijke Chinese provincie Guangxi Zhuang), Acheh en Johor. Al die tijd bleef Maleisië een Britse kolonie, de derde Europese bezettingsmacht van Melakka. In 1942 leek daar wat afwisseling in te komen. Het Japanse Keizerlijke leger bezette van 1942 tot 1945 Maleisië en Singapore, maar na de nederlaag van de Japanners in de 2e wereldoorlog namen de Engelsen hun oude koloniale plekje weer terug. Netzo als de Nederlanders in Indonesië. Pas in 1957 verkreeg Maleisië zijn langverdiende zelfstandigheid op vreedzame wijze die het tot op vandaag heeft. Vandaag is Melakka een grote welvarende en moderne stad met een kleine historische kern. Het is wat moelijk voor te stellen dat zoveel naties zó lang en zó hard gevochten hebben om misschien een 4 vierkante kilometer groot stukje grondgebied en drie heuveltjes. Het valt volledig in het niets bij het hedendaags Melakka. Gelukkig gaat het nu goed met Melakka, behalve dat het drinkwater bijna op is.

Dat water is altijd al de Achillespees van Melakka geweest, zij het om een andere reden. Het water kwam vroeger altijd uit één waterput, de Konings Bron. Deze ligt aan de noordkant van oud Melakka. De lokale Johor Sultan Manson Shah beval ergens medio 15e eeuw, de exacte datum was niet te achterhalen, de aanleg van deze waterput. Exclusief voor zijn Chinese bruid Hang Li Poh. Deze put heeft nog nooit drooggestaan. Dat was het probleem niet. Wat wel een probleem was, is dat deze destijds enigste waterbron van de stad steeds weer vergiftigd werd door de nieuwste belagers van de stad. In 1551 vergiftigden lokale Johor krijgers de put: 200 Portugezen stierven daardoor. Hierdoor geïnspireerd deed in 1606 de VOC onder leiding van bevelhebber Cornelis Matelief hetzelfde bij hun eerste poging Melakka in te nemen. De Hollanders hadden blijkbaar een beter gif want véle honderden Portugezen stierven er toen. Van 1628 tot 1629 deden de Acheh uit Sumatra hetzelfde. Weer stierven vele Portugezen een wrede dood. Toen de VOC in 1641 Melakka veroverde op de Portugezen, realiseerde de VOC zich dat zijzelf de slachtoffers zouden zijn van de volgende vergiftiging. Een helder moment. De VOC bouwde een fortje om de waterput en bewaakte deze dag en nacht. Nu is deze waterput nog steeds te bezoeken. Vandaag komt het drinkwater voor miljoenen mensen rondom Melakka dus uit het stuwmeer in de bergen wat bijna leeg is door de uitblijvende regens. De hedendaagse monocultuur in Maleisië van oliepalmplantages en de daaruit volgende verdroging van het land zal misschien het meest verwoestend blijken van alle menselijke invloeden die Melakka tussen 1511 en heden heeft moeten incasseren. De verwoesting en vergiftiging van alle oorlogen waren peanuts daarbij.

 

Vele mensen moeten gedroomd hebben om snel rijk te worden in Melakka. De meesten stierven echter roemloos door uitputting, ziekte, oorlogshandelingen of vergiftiging. Aan de noordoost kant van Bukit St. Paul ligt een kleine Dutch Grave Yard. Ongeveer de helft van de graven zijn van Engelse legerofficieren, maar dat terzijde. Ik loop alleen door deze stille en vervallen plek. Ik ben op zoek naar tenminste één naam. De graven zijn bijna niet leesbaar. Mijn oog wordt getrokken naar één grafsteen. Ik verwijder de bladeren en blaas het zand weg uit de liggende gebeitelde stenen plaat van circa 3 bij 1 meter. De tekst is nog steeds niet leesbaar. Onvermoeid laat ik keer op keer mijn rechter wijsvinger door de groeven glijden, totdat ik het bovenste deel van de tekst kan lezen:

HIERONDER LIGT BEGRAVEN

ANNA REYNIERSE VAN SCHOONHOVEN

HUYSVROU VANS IAN-BEECK VRY COOPMAN

IS GEBOREN 24 AUG ANNO 1643:

EN OVERLEDEN 28 NOVEMB - 1670:

OHT 27 JAREN 3 MAENDEN 4 DAGEN

Wat een drama! Anna moet als huysvrou haar man Jan (Ian?) gevolgd zijn op een verre reis met veel verwachtingen naar 'de oost' om op een leeftijd van 27 jaar, 3 maanden en 4 dagen daar te sterven. Haar echtgenoot is blijkbaar 12 jaar later ook in Melakka overleden en bij zijn vrouw bijgezet. Er volgt een groot rond embleem met een zeilschip. Het tweede deel van de steen zegt kort:

Mons-Jan-Beeck Saliger

in [?] syn Leven vry coopman in Malacca

Ogh [?] den 28 Maert Anno 1682.

Onderaan de steen staat tot slot een gedicht van Jan over het verlies van zijn Anna:

Sys haeren [?] Man te Ras

ontnomen door de Doot

Die van haer Diensten groot

Hem noch so nodig was

Er volgt nu een moment van stilte. Rust zacht Anna en Jan. Eindelijk weer samen.

 

 

 

In Melakka staan nog enkele gebouwen overeind van deze periode, die wij bezoeken. Onder andere de twee VOC forten, de waterput en de ruïnes van de in 1571 door de Portugezen gebouwde kerk van Francis Xavier op de heuvel Bukit St. Paul (Xavier werd later in Goa te India herbegraven). Ook het Stadthuys, waar aan direct begonnen was na de VOC verovering van Melakka in 1641 en wat in 1660 voltooid was. Dit typische Hollandse gebouw is het grootste Hollandse gebouw in 'de oost'. Het was tot 1820 wit, maar de Engelsen hebben het bruinrood geschilderd, de kleur die het vandaag nog heeft. In de VOC tijd was dit inderdaad het Stadhuys. Het moet een kopie van het toenmalige stadhuis van Hoorn te zijn. Nu is het uitmuntende historische museum er in gehuisvest waar ik veel historische informatie kan verzamelen. Ik breng er uren door, Jolanda wacht geduldig en kijkt ondertussen geïnteresseerd rond. De ernaast gelegen Christus kerk was voltooid in 1753. Beide gebouwen zijn gebouwd met de Zeeuwse bakstenen die de VOC schepen als ballastgewicht vanuit Amsterdam en Hoorn meenamen. De wijk Chinatown is ook leuk om doorheen te lopen. De architectuur is overigens niet Chinees, wat veel mensen denken, maar koloniaal Engels uit de 19e en begin 20e eeuw. De Heerenstraat en de Jonkerstraat zijn nog twee straten waar in de VOC tijd de hoge heren woonden. Er is weinig origineels meer aan, buiten de straatnamen zelf. De bewoners en de winkels zijn wel 100 % Chinees, netzo als bijna al het andere in hedendaags Melakka.

Op maandag 4 maart fietsen wij Melakka uit en rijden op donderdag 7 maart dit 7e land van deze reis uit. Op de teller staan precies 1.000 Maleise fietskilometers, die redelijk interessant waren. De fietstocht Laengs Hollandschen cust was misschien nog het boeiendst.

[Epiloog: op http://www.voc.websilon.nl zijn de bemanningslijsten van VOC schepen te raadplegen. In mei 2002 waren die pas gedeeltelijk voltooid. Anna en Jan zaten daar toen nog niet in verwerkt om hun verhaal kompleet te maken. Jan was 'vry coopman', dat was geen officieel beroep, daar de VOC het monopoly op handel had en alleen 'coopman' was een beroep. Mogelijk zal Jan Beeck daarom nooit in het officiële archief verschijnen; zijn vrouw Anna mogelijk ook niet].

Laengs Hollandschen cust

© René Maassen 2002 - 2005

www.renemaassen.nl

rene@renemaassen.nl